ECLI:NL:RBDHA:2022:9473
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking bijstandsuitkering en oplegging boete wegens schending inlichtingenplicht
Eiser ontving sinds oktober 2019 een bijstandsuitkering en gaf op dat hij woonde op een adres te [plaats 1]. Naar aanleiding van een intakegesprek met zijn stiefdochter startte verweerder een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Dit onderzoek, inclusief huisbezoek en buurtonderzoek, concludeerde dat eiser niet op het opgegeven adres woonde, maar bij zijn ex-partner in [plaats 2].
Verweerder trok het recht op bijstand per 1 oktober 2019 in en vorderde een bedrag terug. Tevens legde verweerder een boete op wegens het niet melden van de gewijzigde woonsituatie. Eiser voerde aan dat het huisbezoek zonder informed consent was en dat het onderzoek niet voor hemzelf maar voor zijn dochter was. Ook stelde hij dat er geen sprake was van gezamenlijke huishouding.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende bewijs had verzameld dat eiser niet op het opgegeven adres woonde. Het informed consent was geldig, en de verklaringen van buurtbewoners en het huisbezoek ondersteunden dit. Eiser had de inlichtingenplicht geschonden door zijn hoofdverblijf niet te melden, waardoor de intrekking en terugvordering terecht waren. De boete was passend vastgesteld op basis van het benadelingsbedrag en verwijtbaarheid.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en de opgelegde boete en intrekking van de bijstand werden bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand en boete worden bevestigd.