ECLI:NL:RBDHA:2022:9497
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning wegens gefingeerd dienstverband en geen vrijstelling mvv-vereiste
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, verzocht om een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn echtgenote, eveneens Turks. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en geen vrijstelling van deze eis kon krijgen op grond van het Besluit 1/80, omdat het dienstverband van zijn echtgenote als gefingeerd werd aangemerkt.
De staatssecretaris voerde aan dat uit onderzoek door de FIOD en ISZW bleek dat de echtgenote niet feitelijk werkte, ondanks een dienstverband op papier. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek voldoende indicaties gaf voor een gefingeerd dienstverband, zoals tegenstrijdige verklaringen, afwezigheid bij werkplekonderzoeken en onduidelijkheid over het bedrijf.
Eiser betoogde dat het onderzoeksrapport onbetrouwbaar was en dat hij op grond van artikel 8 EVRM Pro vrijstelling van het mvv-vereiste had moeten krijgen. De rechtbank verwierp deze argumenten en stelde dat de belangenafweging een fair balance bevatte tussen het gezinsleven en het Nederlandse toelatingsbeleid.
Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het horen in bezwaar redelijkerwijs geen ander besluit had kunnen opleveren. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag verblijfsvergunning wordt afgewezen wegens een gefingeerd dienstverband en geen vrijstelling van het mvv-vereiste.