ECLI:NL:RBDHA:2022:9520

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 augustus 2022
Publicatiedatum
20 september 2022
Zaaknummer
AWB 22/3675
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 7:3 AwbArt. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 3.6 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 17 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op vrijstelling mvv-vereiste voor erfgenaam slavenbevolking Suriname

Eiser, geboren in 1990 en Surinaams staatsburger, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke werd afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Hij stelde dat uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro en dat hij als erfgenaam van de slavenbevolking van Suriname op grond van de Emancipatiewet en Proclamatie van 1862 aanspraak maakt op een grondrecht, het recht op welzijn.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het bezwaar ongegrond verklaarde omdat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die vrijstelling van het mvv-vereiste rechtvaardigen. De enkele stelling dat het mvv-vereiste onevenredig hard is, werd niet gevolgd. Ook het beroep op een recht op welzijn uit de Emancipatiewet werd verworpen omdat dit niet leidt tot een verblijfsrecht.

Verder stelde de rechtbank dat verweerder terecht kon afzien van het horen van eiser in bezwaar, omdat er geen nieuwe feiten waren die het privéleven van eiser als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro betroffen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning en het opgelegde inreisverbod is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/3675

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2022 in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: drs. F.W. King),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Franke).

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en is aan eiser een inreisverbod [1] voor twee jaar opgelegd.
Bij besluit van 3 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 8 augustus 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1990 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eisers eerdere aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel “humanitair niet tijdelijk [2] ’ is afgewezen. Dit besluit staat in rechte vast. Nu heeft eiser opnieuw eenzelfde aanvraag ingediend. Hij meent dat uitzetting in strijd is met het recht op privéleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [3] .
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet in het bezit is van een mvv [4] en ook niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste [5] . Eiser heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot vrijstelling van het mvv-vereiste.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Er zijn bijzondere omstandigheden die tot vrijstelling van het mvv-vereiste moeten leiden. Het is in dit geval onevenredig hard voor eiser om vast te houden aan het mvv-vereiste, en bovendien is dit ook in strijd met het doel van het mvv-vereiste. Ook is het besluit in strijd is met de Emancipatiewet van 26 augustus 1862 [6] en de bijbehorende Proclamatie van 3 oktober 1862. Volgens eiser is in deze wet geregeld dat de slavenbevolking van Suriname en hunn erfdragers vanwege hun jarenlange bijdragen aan de schatkist van het koninkrijk aanspraak maken op een grondrecht, namelijk het recht op welzijn. Dit is een absoluut recht. Op zitting heeft eiser nog aangevoerd dat hij ten onrechte niet gehoord is in bezwaar, nu artikel 8 van Pro het EVRM een rol speelt. [7] Hij merkt daarbij op dat hij sinds kort een baan heeft in Nederland.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank overweegt dat wat in beroep is aangevoerd tegen het bestreden besluit, een herhaling is van wat eiser in bezwaar tegen het primaire besluit naar voren heeft gebracht. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit hierop gemotiveerd is ingegaan. Omdat eiser niet heeft aangegeven waarom de weerlegging van die bezwaren onjuist is dan wel op welke andere wijze het bestreden besluit de toets in rechte niet kan doorstaan, kan een enkele herhaling van zetten niet tot enig resultaat leiden. [8]
Alleen daarom al is het beroep ongegrond.
5. Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. Niet in geschil is dat eiser niet in het bezit is van een geldige mvv. De vraag die voorligt is of verweerder eiser had moeten vrijstellen van het mvv-vereiste.
6. Verweerder kan een vreemdeling vrijstellen van het mvv-vereiste als toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. [9] Dit wordt de hardheidsclausule genoemd. Verweerder beoordeelt pas of iemand voldoet aan de materiële vereisten voor gezinshereniging, als de vreemdeling bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden aanvoert die maken dat het onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste. [10] Verweerder heeft in dit geval tot het oordeel kunnen komen dat eiser geen bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat het voor hem onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste. De enkele stelling dat het tegenwerpen in zijn geval onevenredig hard is en in strijd is met het doel, wordt dan ook niet gevolgd.
7. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn betoog dat hij op grond van de Emancipatiewet en de Proclamatie daarbij van 3 oktober 1862 als erfdrager van de slavenbevolking van Suriname aanspraak maakt op een grondrecht, namelijk het ‘recht op welzijn’. Naar het oordeel van de rechtbank valt uit de tekst niet op te maken dat eiser een ‘recht op welzijn’ heeft, laat staan dat dit tot een verblijfsrecht voor eiser zou moeten leiden.
8. Het betoog van eiser ter zitting dat hij privéleven heeft op grond van artikel 8 EVRM Pro en dat verweerder, gelet op de uitspraak van de hoogste bestuursrechter [11] , hem daarom had moeten horen in bezwaar, slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarprocedure. Toch heeft verweerder in dit geval kunnen afzien van het horen. Eiser heeft zowel bij de aanvraag als in bezwaar geen feiten en omstandigheden aangevoerd die zien op zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft daarom met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht mogen afzien van horen in bezwaar, nu op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Verweerder heeft ter zitting opgemerkt dat indien eiser, gelet op zijn nieuwe baan in Nederland, meent recht te hebben op een verblijfsvergunning, hij hiervoor een nieuwe aanvraag kan indienen.
Wat is de conclusie?
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2022.
(de griffier is verhinderd te ondertekenen)
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 66a, eerste lid, onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 3.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
4.Machtiging tot voorlopig verblijf.
5.Op grond van artikel 17 van Pro de Vw.
6.Wetten ter opheffing der slavernij in Suriname en de Nederlandse Antillen van 26 augustus 1862.
7.Eiser heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:601.
9.Artikel 3.71, derde lid van het Vb.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1095.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006.