ECLI:NL:RBDHA:2022:9520
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op vrijstelling mvv-vereiste voor erfgenaam slavenbevolking Suriname
Eiser, geboren in 1990 en Surinaams staatsburger, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke werd afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Hij stelde dat uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro en dat hij als erfgenaam van de slavenbevolking van Suriname op grond van de Emancipatiewet en Proclamatie van 1862 aanspraak maakt op een grondrecht, het recht op welzijn.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het bezwaar ongegrond verklaarde omdat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die vrijstelling van het mvv-vereiste rechtvaardigen. De enkele stelling dat het mvv-vereiste onevenredig hard is, werd niet gevolgd. Ook het beroep op een recht op welzijn uit de Emancipatiewet werd verworpen omdat dit niet leidt tot een verblijfsrecht.
Verder stelde de rechtbank dat verweerder terecht kon afzien van het horen van eiser in bezwaar, omdat er geen nieuwe feiten waren die het privéleven van eiser als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro betroffen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning en het opgelegde inreisverbod is ongegrond verklaard.