ECLI:NL:RBDHA:2023:10313
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering verblijfsvergunning wegens onduidelijke opvangcapaciteit in België
Eiser, van Angolese nationaliteit, diende op 27 november 2022 een asielaanvraag in Nederland in. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid weigerde de aanvraag in behandeling te nemen op grond van de Dublinverordening, omdat België verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. Nederland had België op 17 januari 2023 verzocht de zaak over te nemen, wat België op 24 januari 2023 accepteerde.
Eiser voerde aan dat de opvang- en asielprocedures in België ernstige tekortkomingen vertonen, met name voor alleenstaande meerderjarige mannen zoals hijzelf, die op een wachtlijst voor opvang worden geplaatst. Hij verwees naar het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de EU en het Amnesty International Report 2021/2022 om zijn stellingen te onderbouwen.
De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België nog steeds van toepassing is. De verstrekte informatie over opvangcapaciteit was onduidelijk en onvoldoende, vooral gezien het grote aantal personen op de wachtlijst en de lange wachttijden. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg de Staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de Staatssecretaris tot betaling van de proceskosten van eiser. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de Staatssecretaris wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.