Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juni 2023 in de zaak tussen
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
8 oktober 2020 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, geoordeeld dat weliswaar voldoende signalen aanwezig waren voor de algemene veronderstelling dat de handelspartners van eiseres op enig moment frauduleus hadden gehandeld, maar dat niet is vast komen te staan dat de handelstransacties van eiseres met deze handelspartners frauduleus zijn geweest in die zin dat die handelspartners opzettelijk niet hebben voldaan aan hun verplichting om (in het Verenigd Koninkrijk) aangifte te doen van de intracommunautaire handelstransacties met eiseres. De rechtbank achtte het plegen van het strafbaar feit van artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), zoals eiseres door GS werd verweten niet aannemelijk geworden en heeft het beroep van eiseres in de bibob-procedure gegrond verklaard.
Geschil11. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan eiseres is opgelegd. Meer in het bijzonder zijn partijen verdeeld over de vraag of sprake was van btw-fraude in de handelsketen en of eiseres wist of had moeten weten dat zij onderdeel uitmaakte van een handelsketen waarin deze fraude plaatsvond.
1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 597 en 1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1,5 voor de zwaarte van de zaken. De rechtbank heeft in de aard en de omvang van de zaken aanleiding gezien om het gewicht van de zaken als zwaar aan te merken. Van de proceskostenvergoeding zal de helft worden toegekend in de onderhavige zaak en de helft in de zaak met zaaknummer SGR 22/3376.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot een vergoeding aan eiseres van de proceskosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor deze zaak vastgesteld op € 2.151.