4.4.Verweerder heeft verder terecht overwogen dat de Keniaanse wetgeving voorziet in de mogelijkheid van een dubbele nationaliteit. Dat eiser niet aan een aantal voorwaarden voor naturalisatie zou voldoen, wat van deze stelling verder ook zij, heeft verweerder in het licht van het overlegde en echt bevonden Keniaans paspoort en het niet hebben aangetoond de Somalische nationaliteit te hebben, onvoldoende kunnen vinden om niet langer van de Keniaanse nationaliteit uit te mogen gaan. Daarbij heeft verweerder ook van belang kunnen vinden dat eiser meermalen met zijn Keniaans paspoort Kenia is in- en uitgereisd en dat eiser daarbij geen problemen heeft ondervonden.
5. Voor zover er door eiser wordt verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, stelt de rechtbank vast dat die uitspraken op essentiële punten verschillen van deze zaak. Zo is in de zaak van eiser sprake van kloppende persoonsgegevens op het paspoort. Deze komen ook overeen met de door eiser zelf overgelegde geboorteakten. Er zijn ook geen andere evident met de feiten tegenstrijdige gegevens in het paspoort opgenomen, zoals een onjuist opgenomen persoonslengte. Ook het beroep van eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, slaagt niet. In die uitspraak was van belang dat de geboorteakte die was overgelegd een andere geboortedatum bevatte dan die in het paspoort stond, wat een aanwijzing was dat de informatie in het paspoort onjuist was. In eisers geval zijn de geboortedata hetzelfde. Ook anderszins zijn er in de zaak van eiser niet zulke aanwijzingen aanwezig. Het enkele feit dat eiser zich op een vlucht bevond waarop ook andere mensen zijn aangetroffen met een Keniaans paspoort, en met hetzelfde verhaal als eiser over de wijze van verkrijging, vindt de rechtbank voor die conclusie onvoldoende. Al met al is de rechtbank dan ook van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen. Om die reden slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel dan ook niet.
6. Geelt op het vorenstaande heeft verweerder zich bij de beoordeling van het asielrelaas terecht beperkt tot de gestelde vrees bij terugkeer naar Kenia. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dat kader de gestelde vrees voor Al-Shabaab in Kenia in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen vinden. Verweerder heeft eisers verklaringen over de bedreigingen van Al-Shabaab in Kenia niet overtuigend kunnen vinden, omdat de aanleiding voor de bedreigingen summier is en omdat eisers verklaringen over de bedreigingen en de telefoon waarop hij de dreigementen zou hebben ontvangen wisselend en ongerijmd zijn.
7. Verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet de Keniaanse nationaliteit heeft en dat hij in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de aanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond.
8. Het beroep is ongegrond. Nu met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Dat verzoek wordt daarom afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.