Eiser diende op 19 augustus 2020 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke werd afgewezen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde in april 2023 dat opnieuw op de aanvraag moest worden beslist. Eiser stelde de staatssecretaris in gebreke wegens het niet tijdig beslissen en startte op 3 juli 2023 beroep tegen het uitblijven van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden is verstreken, de ingebrekestelling rechtsgeldig was en meer dan twee weken daarna zijn verstreken, waardoor het beroep kennelijk gegrond is. De rechtbank past het 8+8 weken model toe, waarbij de staatssecretaris acht weken heeft voor het houden van een eerste gehoor en acht weken voor het nemen van een besluit.
De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding van de termijn, met een maximum van €7.500, en in de proceskosten van eiser. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.