ECLI:NL:RVS:2022:2576
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtsgevolgen niet in stand houden na niet-behandeling asielaanvraag
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam een asielaanvraag van een Russische vreemdeling niet in behandeling omdat Zweden verantwoordelijk was voor de aanvraag. De vreemdeling betoogde dat overdracht aan Zweden indirect zou leiden tot refoulement, mede vanwege uitspraken van Zweedse rechterlijke instanties.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris het besluit onvoldoende had gemotiveerd en dat er een tekortkoming in de bescherming tegen refoulement in Zweden bestond, waardoor nader onderzoek nodig was. De staatssecretaris stelde dat de bewijslast bij de vreemdeling lag en dat deze niet aannemelijk had gemaakt dat het Zweedse beleid fundamenteel verschilde van het Nederlandse.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat nader onderzoek nodig was en dat de staatssecretaris terecht op het Zweedse beleid mocht vertrouwen. Wel erkende de Afdeling dat de zienswijze van de vreemdeling ten onrechte niet was betrokken, maar stelde dat dit niet tot andere rechtsgevolgen leidt omdat het risico op refoulement niet aannemelijk was gemaakt.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het een nieuw besluit oplegde en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het oorspronkelijke besluit in stand blijven. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van het besluit van 10 januari 2022 blijven in stand en de staatssecretaris hoeft geen nieuw besluit te nemen.