Eiser diende op 17 juli 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Na een overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening werd op 24 maart 2022 besloten de aanvraag in de nationale procedure te behandelen. Verweerder moest uiterlijk 23 september 2022 beslissen, maar liet dit na. Eiser stelde verweerder in gebreke en startte beroep wegens niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de beslistermijn is verstreken en verweerder niet tijdig heeft beslist. De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND sluit bestuurlijke dwangsommen uit, maar niet rechterlijke dwangsommen. De rechtbank legt daarom een termijn van acht weken op waarbinnen verweerder een besluit moet nemen.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €7.500. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.