Eiser diende op 15 oktober 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder verklaarde deze aanvraag bij besluit van 24 januari 2022 kennelijk ongegrond. De rechtbank Zwolle verklaarde dit besluit op 5 augustus 2022 gegrond en beval een nieuw besluit. Na ingebrekestelling wegens het uitblijven van een besluit, stelde eiser beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden is verstreken en dat verweerder rechtsgeldig in gebreke is gesteld. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. De rechtbank verwijst naar de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND en jurisprudentie van de ABRvS over de onverenigbaarheid van het uitsluiten van rechterlijke dwangsommen met het Unierecht.
De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen zes weken alsnog een besluit moet nemen en legt een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €7.500. Tevens veroordeelt zij verweerder in de proceskosten van eiser van €418,50. De rechtbank houdt rekening met het 8+8-wekenmodel en de maximale termijn van 21 maanden zoals voorgeschreven door de Procedurerichtlijn.