Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 15 maart 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het uitblijven van een tijdige beslissing stelde eiser de staatssecretaris op 11 november 2022 in gebreke en diende op 21 december 2022 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank constateert dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden is verstreken en dat de ingebrekestelling rechtsgeldig was. Op 2 maart 2023 nam de staatssecretaris alsnog een besluit. Hierdoor is het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk geworden. Het beroep richt zich tevens tegen het besluit zelf, omdat eiser ontevreden is over het ontbreken van een bestuurlijke dwangsom.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat het uitsluiten van bestuurlijke dwangsommen in asielprocedures niet in strijd is met het Unierecht, maar het afschaffen van rechterlijke dwangsommen wel. De rechtbank volgt deze lijn en oordeelt dat de staatssecretaris geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd is. Het beroep tegen het besluit is daarom ongegrond.
Ten slotte veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €418,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.