ECLI:NL:RBDHA:2023:1188
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De eiser, een Marokkaanse vreemdeling, maakte bezwaar tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 18 september 2022 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid was opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van deze maatregel, waarbij zij zich baseerde op eerdere uitspraken waarin de bewaring reeds was beoordeeld.
De eiser stelde dat de maatregel niet met redelijke tussenpozen was getoetst door een administratieve autoriteit, zoals vereist volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank oordeelde dat de voortgangsrapportage voldoende aangaf dat de maatregel regelmatig was beoordeeld en dat de toets voldeed aan de gestelde eisen. Daarnaast ontbraken concrete omstandigheden die het voortduren van de bewaring onrechtmatig zouden maken.
De eiser klaagde ook over het ontbreken van relevante stukken in het digitale dossier, waaronder het verslag van zijn presentatie aan de Marokkaanse diplomatieke vertegenwoordiging. De rechtbank vond dat de melding van deze presentatie in het voortgangsrapport voldoende was om vast te stellen dat verweerder voortvarend werkte aan de uitzetting.
De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel rechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.