ECLI:NL:RBDHA:2023:11961

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 augustus 2023
Publicatiedatum
10 augustus 2023
Zaaknummer
NL23.21801
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 59 VwArt. 5.1b VbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring afgewezen wegens voldoende gronden en voortvarend handelen

Eiser is op 26 juli 2023 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij voerde aan dat de ophouding ten onrechte was gebaseerd op artikel 50, derde lid, Vw, dat het rechtmatig verblijf niet was vastgesteld en dat de maatregel disproportioneel was. Tevens stelde hij dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de voorbereiding van zijn uitzetting.

De rechtbank oordeelt dat de ophouding terecht was gebaseerd op artikel 50, derde lid, Vw, ook al was reeds in het strafrechtelijke traject vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf had. De maatregel van bewaring is voldoende gemotiveerd met feitelijke gronden, waaronder het risico op het ontduiken van toezicht en het niet naleven van vertrekverplichtingen. De rechtbank acht de duur van de bewaring proportioneel en het handelen van verweerder voortvarend.

Verder is geoordeeld dat het opleggen van een lichter middel niet aan de orde was, omdat eiser onvoldoende persoonlijke omstandigheden had aangevoerd die een belangenafweging in zijn voordeel rechtvaardigen. De tenuitvoerlegging van de maatregel in het detentiecentrum voldoet aan de wettelijke eisen en kan niet worden beoordeeld in deze procedure.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.21801
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. D. Matadien), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.B. Stammis-Grzegorczyk.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De ophouding
1. Volgens eiser is hij ten onrechte opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. Blijkens het proces-verbaal van ophouding van 26 juli 2023 is eiser opgehouden, omdat niet onmiddellijk bleek dat hij rechtmatig verblijf had. Dit is ten onrechte. Eiser is namelijk opgehouden na een strafrechtelijke heenzending. In het strafrechtelijke kader was al vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf had. Dit blijkt ook uit informatie van de gemeente [gemeente]. Blijkens het dossier was de vreemdelingenpolitie bekend met deze informatie. Er is dus geen sprake geweest van een situatie waarin niet onmiddellijk bleek dat eiser rechtmatig verblijf had. Dat maakt dat ten onrechte toepassing is gegeven aan het derde lid van artikel 50 van Pro de Vw, aldus eiser.
2. De beroepsgrond faalt. Uit vaste rechtspraak1 volgt dat artikel 50, derde lid, van de
1. Zie o.m. de uitspraak van de ABRvS van 19 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1105, r.o. 1.4.
Vw niet uitsluit dat tijdens de ophouding verweerder onder meer wat betreft de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling nog de nodige verificatiewerkzaamheden verricht en aanvullende gegevens van die vreemdeling verzamelt, terwijl hij voorts voorbereidingen kan treffen voor een mogelijke inbewaringstelling. Dat de verblijfsstatus van eiser in het strafrechtelijke kader en door de gemeente [gemeente] al was bepaald, doet niet af aan de bevoegdheid die de vreemdelingenpolitie heeft om deze informatie te verifiëren. De ophouding is dus terecht gebaseerd geweest op artikel 50, derde lid, van de Vw.
3. Eiser voert verder aan dat uit het dossier niet blijkt op welk moment de ophouding is geëindigd. Het is aldus niet te controleren hoe lang de ophouding heeft geduurd.
4. Ook deze beroepsgrond faalt. Uit het dossier blijkt evident dat de ophouding is geëindigd op het moment waarop de maatregel van bewaring is aangevangen. Dat was op 26 juli 2023 om 16.15 uur.
De grondslag en de gronden van de maatregel
5. Volgens eiser blijkt uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaande aan het opleggen van de maatregel van bewaring afdoende dat eiser rechtmatig verblijf kan ontlenen aan het Unierecht. Om die reden was er geen grondslag om hem in bewaring te stellen. Hij is immers een Unieburger en hij heeft verklaard dat hij in Nederland aan werk kan komen. Naar de mening van eiser heeft verweerder hiernaar ten onrechte geen nader onderzoek gedaan.
6. Deze beroepsgrond faalt. Bij besluit van 13 januari 2023 heeft verweerder het rechtmatige verblijf van eiser in Nederland ingetrokken. Dit besluit staat vast. Eiser heeft zijn verklaring over mogelijke werkzaamheden in Nederland niet nader onderbouwd. Er is voor verweerder daarom geen aanleiding geweest om te veronderstellen dat het besluit van 13 januari 2023 niet meer van kracht zou zijn. Om die reden heeft verweerder een grondslag gehad om eiser in vreemdelingenbewaring te stellen.
7. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ter zitting heeft verweerder de grond onder 3i prijsgegeven.
8. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gronden onder 3b en 3c feitelijk juist en afdoende toegelicht. Deze twee gronden zijn al voldoende om het bestreden besluit te kunnen dragen. De geschilpunten tussen partijen over de overige gronden van de maatregel behoeven daarom geen bespreking. De beroepsgrond faalt.
Voortvarend handelen
9. Eiser stelt dat verweerder zijn voorgenomen uitzetting onvoldoende voortvarend ter hand heeft genomen. Zo is nagelaten om al in het strafrechtelijke traject een aanvang te maken met de voorbereiding van deze uitzetting. Verder is hij op 26 juli 2023 in bewaring gesteld. Er gaan elke dag vluchten naar Polen. Dat de uitzetting pas op 9 augustus 2023 zal plaatsvinden, is volgens eiser dan wel erg laat.
10. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Het strafrechtelijke traject, dat voorafging aan het vreemdelingrechtelijke traject, heeft zeer kort geduurd. Het valt verweerder dan niet te verwijten dat niet al tijdens dat strafrechtelijke traject handelingen zijn verricht ter voorbereiding op de voorgenomen uitzetting van eiser naar Polen. Verder heeft verweerder na de inbewaringstelling op 26 juli 2023 diverse handelingen verricht in het kader van die uitzetting. Verweerder heeft daarbij afdoende toegelicht dat het gaat om een gecontroleerde uitzetting. De organisatie en afstemming van zo’n uitzetting vergt enkele dagen, waarbij verweerder ook afhankelijk is van de Poolse autoriteiten. Dat de uitzetting op
9 augustus 2023 zal plaatsvinden, maakt al met al niet dat de maatregel van bewaring onredelijk lang duurt.
Het lichter middel
11. Volgens eiser diende verweerder te volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Verweerder heeft ten onrechte niet bezien of eiser een meldplicht kan worden opgelegd. Ook heeft verweerder geen rekening gehouden met het familie- en gezinsleven van eiser.
12. Ook deze beroepsgrond faalt. Tijdens het gehoor voorafgaande aan het opleggen van de maatregel van bewaring heeft eiser slechts verklaard dat hij zijn dochter naar Nederland wil laten overkomen. Verweerder heeft in deze enkele verklaring geen aanleiding hoeven zien om artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te betrekken bij de belangenafweging. Verder heeft verweerder afdoende gemotiveerd dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Van bijzondere persoonlijke omstandigheden is verder niet gebleken, zodat verweerder terecht niet heeft volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring.
De tenuitvoerlegging van de maatregel in het detentiecentrum [gemeente] (DTC)
13. Volgens eiser is de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in het DTC niet proportioneel. Eiser wordt daar immers geconfronteerd met strafrechtelijk gedetineerden. Het detentieregime is ook heel streng.
14. De rechtbank kan niet oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het DTC. Daarvoor staat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een andere rechtsgang open2. Dat eiser naar zijn zeggen in het DTC visueel contact kan hebben met strafrechtelijk
2 Zie o.m. de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1710, r.o. 8.
gedetineerden maakt niet dat het DTC gelijk staat aan een gevangenisomgeving in welk geval de bewaringsrechter zou moeten toetsen of de bewaring nog rechtmatig is. Eiser heeft voorts niet onderbouwd dat het DTC niet zou voldoen aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft gesteld aan een speciale inrichting voor vreemdelingenbewaring3.
Conclusie
15. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
16. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
3 Zie het arrest van 10 maart 2022, ECLI:EU:C:2022:178, r.o. 57.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 augustus 2023

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.