De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen de verlenging van de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan. De maatregel was opgelegd vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting. Verweerder had het verlengingsbesluit zorgvuldig gemotiveerd op basis van zware en lichte gronden uit de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting, ondanks dat de Marokkaanse autoriteiten nog geen reactie op de aanvraag voor een reisdocument hebben gegeven. Eiser heeft niet actief en volledig meegewerkt, waardoor het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn nog steeds aanwezig is. Een lichter middel dan bewaring volstaat niet om uitzetting te verzekeren.
Ook is niet gebleken dat de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend is. De rechtbank verklaart daarom het beroep tegen het verlengingsbesluit en het voortduren van de bewaring ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Tegen het verlengingsbesluit staat hoger beroep open, tegen het voortduren van de bewaring niet.