ECLI:NL:RVS:2022:2210
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling ondanks weigering coronatest
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 7 juni 2022 in bewaring. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze bewaring en stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 20 juni 2022 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij voerde aan dat zijn weigering om mee te werken aan een coronatest zou moeten leiden tot vernietiging van het bewaringbesluit, omdat dit het zicht op overdracht zou belemmeren.
De Raad van State oordeelde dat deze weigering niet leidt tot het ontbreken van een redelijke termijn voor overdracht, verwijzend naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2022:85). Het hoger beroep bevatte geen vragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling, zodat het niet verder werd gemotiveerd.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot proceskostenvergoedingen af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd.