ECLI:NL:RBDHA:2023:12175
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende meewerken aan uitzetting
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is sinds 3 mei 2023 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de bewaring tot 9 juni 2023 vastgesteld en toetst nu alleen de periode daarna.
Eiser betoogt dat de aanvraag voor een laissez passer (lp) al geruime tijd loopt en dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank oordeelt echter dat de staatssecretaris voldoende inspanningen levert, waaronder regelmatige rappelleringen aan de Marokkaanse autoriteiten en vertrekgesprekken met eiser, die als uitzettingshandelingen worden aangemerkt.
De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat Marokko in algemene zin lp’s weigert of dat voor eiser geen lp wordt afgegeven. Ook is onvoldoende gebleken dat eiser actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting, waardoor het zicht op uitzetting nog steeds aanwezig is. Gezien deze omstandigheden is het voortduren van de bewaring rechtmatig en bestaat geen grond voor opheffing of schadevergoeding.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.