ECLI:NL:RBDHA:2023:12262

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 augustus 2023
Publicatiedatum
17 augustus 2023
Zaaknummer
NL23.1083
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 8:57 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 4:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag en besluit van 17 februari 2023

Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 25 september 2021. De staatssecretaris had op 17 februari 2023 alsnog een besluit genomen, waarbij niet volledig aan eiser werd tegemoetgekomen. De rechtbank besloot het beroep zonder zitting te behandelen omdat partijen geen zitting wensten.

De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is, omdat de staatssecretaris inmiddels een inhoudelijk besluit heeft genomen en eiser geen belang meer heeft bij verdere beoordeling daarvan. Daarnaast werd het beroep tegen het besluit van 17 februari 2023 ongegrond verklaard.

Eiser vorderde tevens vaststelling van een bestuurlijke dwangsom wegens overschrijding van de beslistermijn, maar de rechtbank wees dit af op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, die het verbeuren van een bestuurlijke dwangsom in asielzaken uitsluit.

De rechtbank veroordeelde de staatssecretaris wel tot betaling van een proceskostenvergoeding van €418,50 aan eiser wegens het niet tijdig beslissen. De uitspraak is gedaan door rechter Derksen en griffier Voors en is openbaar bekendgemaakt op 2 augustus 2023.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk, het beroep tegen het besluit van 17 februari 2023 ongegrond en de staatssecretaris moet €418,50 proceskosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.1083

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2023 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat de staatssecretaris volgens hem niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag van 25 september 2021. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.1.
De staatssecretaris heeft de asielaanvraag op 17 februari 2023 ingewilligd. Omdat de staatssecretaris in dat besluit niet volledig aan eiser is tegemoetgekomen, heeft het beroep mede betrekking op het besluit van 17 februari 2023. [1]
1.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser nog een belang bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen?
2. De staatssecretaris heeft een inhoudelijk besluit op de aanvraag van eiser genomen. De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog een belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk.
Had de staatssecretaris de bestuurlijke dwangsom moeten vaststellen?
3. De rechtbank heeft eiser verzocht om toe te lichten welk procesbelang hij heeft bij beoordeling van het besluit van 17 februari 2023. In reactie daarop schrijft zijn gemachtigde dat de staatssecretaris hem heeft meegedeeld dat de beslistermijn uiterlijk op 23 december 2022 eindigt en dat derhalve de ingebrekestelling niet prematuur is. Dat klopt op zich, maar hij vermeldt niet wat het procesbelang is. De rechtbank verstaat deze mededeling zo, dat dit procesbelang gelegen is in het niet vaststellen van de bestuurlijke dwangsom.
3.1.
Dit standpunt slaagt niet. In artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND is bepaald dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 van de Awb niet van toepassing zijn op besluiten op aanvragen om het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Gelet op het oordeel van deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 24 maart 2022 [3] kan de staatssecretaris geen bestuurlijke dwangsom verbeuren als hij niet op tijd beslist op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank heeft in deze uitspraak artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet voor wat betreft het niet kunnen verbeuren van een bestuurlijke dwangsom namelijk in stand gelaten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is op 30 november 2022 ook tot het oordeel gekomen dat het afschaffen van de bestuurlijke dwangsom in asielzaken niet in strijd is met het beginsel van effectieve rechtsbescherming en het gelijkwaardigheidsbeginsel. [4] Daarom geldt deze bepaling nog steeds en is de staatssecretaris geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is, voor zover gericht tegen het besluit van 17 februari 2023, ongegrond. Eiser krijgt een vergoeding voor zijn proceskosten omdat de staatssecretaris niet op tijd had beslist. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 418,50, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen ging over de vraag of de beslistermijn is overschreden en de vaststelling van de bijbehorende bestuurlijke dwangsom. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 17 februari 2023, ongegrond;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Voors, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:20 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:57 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.
3.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 24 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2641.
4.ABRvS 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ABRvS 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3353.