Eiser heeft op 9 maart 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden een besluit genomen. Nadat eiser verweerder op 10 september 2022 schriftelijk in gebreke had gesteld, en na het verstrijken van twee weken beroep had ingesteld, verklaart de rechtbank het beroep ontvankelijk en gegrond.
De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen zestien weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen, waarbij binnen acht weken na verzending een eerste gehoor moet plaatsvinden en binnen acht weken daarna het besluit moet worden bekendgemaakt. Hoewel de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND bepaalt dat geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd is, oordeelt de rechtbank dat op grond van een andere uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State de dwangsomregeling uit de Awb wel van toepassing is.
Daarom legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €7.500. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €418,50 wegens het inschakelen van professionele juridische hulp. De rechtbank vernietigt het besluit van verweerder wegens het niet tijdig beslissen en geeft duidelijke instructies voor de verdere procedure.