Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam], opposant
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Opposant had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank had dit beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de ingebrekestelling prematuur was ingediend. Tegen deze beslissing heeft opposant verzet aangetekend en verzocht om een zitting.
Tijdens de zitting op 10 augustus 2023, waar opposant en zijn gemachtigde aanwezig waren, werd het verzet behandeld. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door mr. C.W.M. van Breda. De rechtbank heeft in het verzet alleen beoordeeld of er redelijke twijfel bestond over het oordeel in de eerdere uitspraak.
Opposant stelde dat de uitkomst van het beroep niet zonder twijfel vaststond vanwege verschillen in rechtspraak over de toepassing van WBV 2022/22 en dat de staatssecretaris de verlenging van de beslistermijn niet met redenen had omkleed, zoals vereist door artikel 41 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De rechtbank vond echter geen aanleiding om aan te nemen dat het eerdere oordeel kennelijk onjuist was, mede omdat eerdere uitspraken van dezelfde zittingsplaats in lijn waren met de aangevallen uitspraak.
Het verzet werd ongegrond verklaard, waardoor de eerdere niet-ontvankelijkverklaring in stand bleef. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzet is ongegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.