Eiser ontving vanaf 13 december 2018 een bijstandsuitkering van de gemeente Leiden. Naar aanleiding van signalen over zijn inkomsten en verblijf werd een fraudeonderzoek ingesteld, waarna de gemeente de uitkering per 1 januari 2021 introk en de bijstand over de periode 13 december 2018 tot en met 31 december 2020 herzag en terugvorderde. De rechtbank voegde de zaken samen en behandelde het beroep tegen deze besluiten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had onderbouwd dat eiser niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Eiser maakte gebruik van een all-in-norm en hield een sobere levensstijl aan, ondersteund door vrienden, wat niet onverenigbaar is met bijstand. Daarom vernietigde de rechtbank het besluit tot herziening en terugvordering over de periode 25 april 2019 tot 31 december 2020.
Tegelijkertijd stelde de rechtbank vast dat eiser vanaf 16 september 2020 bij zijn gezin verbleef in asielzoekerscentra elders dan Leiden, waardoor hij niet zijn hoofdverblijfplaats in Leiden had. Dit rechtvaardigde de intrekking van de bijstand per 1 januari 2021 en handhaafde de rechtbank de rechtsgevolgen van dat besluit.
De rechtbank veroordeelde de gemeente tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser en droeg de gemeente op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De uitspraak werd gedaan door rechter A.J. van der Ven op 8 augustus 2023.