ECLI:NL:RBDHA:2023:13092
Rechtbank Den Haag
- Versnelde behandeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Oostenrijk
Verzoeker maakte bezwaar tegen zijn voorgenomen uitzetting naar Oostenrijk en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Hij vreesde uitzetting naar Egypte en stelde dat dit zijn gezinsleven zou schaden, waarbij hij zich beroept op artikel 8 EVRM Pro en artikel 24 Handvest Pro EU.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar gericht was tegen de feitelijke uitzetting, gelijkgesteld aan een besluit op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Uit eerdere uitspraken bleek dat Oostenrijk verantwoordelijk is en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waardoor indirect refoulement niet aannemelijk is.
Verzoeker bracht geen nieuwe feiten aan die het vertrouwen in Oostenrijk ondermijnen. Ook werd geoordeeld dat er geen sprake is van schending van family-life, omdat gezinsleden niet in Nederland verblijven en er geen sprake is van scheiding.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de feitelijke uitzetting naar Oostenrijk wordt afgewezen.