Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , V-nummer: [nummer] , verzoeker
mr. M.M. Volwerk, mr. H.H. Veurtjes),
Rechtbank Den Haag
Verzoeker maakte bezwaar tegen zijn voorgenomen uitzetting naar Oostenrijk en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij vreesde dat Oostenrijk hem zou uitzetten naar Egypte, waar hij vanwege zijn politieke overtuigingen gevaar loopt. Tevens stelde hij dat de uitzetting het recht op gezinsleven zou schenden.
De voorzieningenrechter overwoog dat bezwaar tegen feitelijke uitzetting beperkt is tot de wijze van uitvoering of gewijzigde omstandigheden sinds het oorspronkelijke besluit. Eerder oordeelde de rechtbank dat Oostenrijk verantwoordelijk is en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waardoor indirect refoulement niet aannemelijk is.
Verzoeker bracht geen nieuwe feiten aan die dit oordeel zouden wijzigen. Ook het betoog over schending van het gezinsleven faalde, omdat geen gezinsleden in Nederland verblijven en er geen sprake is van scheiding door de uitzetting.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek af. De uitspraak is een hersteluitspraak vanwege een eerdere foutieve vermelding van een gemachtigde.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de voorgenomen uitzetting naar Oostenrijk wordt afgewezen.