Eiser diende op 17 mei 2021 een asielaanvraag in, die op 4 juni 2021 werd afgewezen. Na verschillende procedures, waaronder een vernietiging van de beschikking door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, stelde eiser de staatssecretaris in februari 2023 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen. Vervolgens werd beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden is verstreken, de ingebrekestelling rechtsgeldig was en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard. De rechtbank legt de staatssecretaris op binnen vier weken alsnog een besluit te nemen.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €7.500,- voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden. De proceskosten van eiser worden vastgesteld op €418,50. De uitspraak is gebaseerd op bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000, en houdt rekening met jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de toepasselijkheid van dwangsommen in asielprocedures.