ECLI:NL:RBDHA:2023:13566

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 september 2023
Publicatiedatum
8 september 2023
Zaaknummer
NL23.2449
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbWBV 2022/22
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep asielaanvragen ongegrond verklaard

Opposanten hebben verzet ingesteld tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin hun beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun asielaanvragen niet-ontvankelijk werden verklaard wegens prematuriteit van de ingebrekestelling.

De rechtbank heeft het verzet buiten zitting behandeld en beoordeelt uitsluitend of er redelijke twijfel bestaat over het oordeel in de eerdere uitspraak. Opposanten voerden aan dat de rechtbank niet tot een kennelijk oordeel was gekomen en dat er onduidelijkheid bestaat over de toepassing van het Besluit WBV 2022/22.

De rechtbank overweegt dat de eerdere uitspraak wel degelijk een kennelijk oordeel bevatte en dat de verschillen in jurisprudentie over WBV 2022/22 niet leiden tot redelijke twijfel over de uitkomst van het beroep. Er zijn geen nieuwe argumenten aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

Daarom verklaart de rechtbank het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.2449 V en NL23.2451 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[Naam 1], [Naam 2] en [Naam 3], opposanten

V-nummers: [Nummer 1], [Nummer 2] en [Nummer 3]
(gemachtigde: mr. S. Thelosen).

Procesverloop

Bij uitspraak van 3 mei 2023 [1] (de aangevallen uitspraak) heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb [2] beslist op de beroepen van opposanten tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun asielaanvragen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Opposanten hebben tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Opposanten hebben niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de beroepen van opposanten niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend.
2. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. In dit verzet beoordeelt de rechtbank alleen of er redelijke twijfel mogelijk was over het oordeel in de aangevallen uitspraak. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposanten voeren allereerst aan dat de rechtbank niet daadwerkelijk tot een kennelijk oordeel is gekomen, maar slechts heeft overwogen dat het beroep niet-ontvankelijk is. Opposanten menen voorts dat de uitkomst van het beroep niet zonder twijfel vaststond, gelet op de verschillen in de rechtspraak over de toepassing van WBV 2022/22. [3]
4. De rechtbank overweegt dat in de aangevallen uitspraak weliswaar niet uitdrukkelijk is overwogen dat sprake was van
kennelijkeniet-ontvankelijkheid, maar dat de vereenvoudigde afdoening voldoende duidelijk blijkt uit tekst van de uitspraak, waaronder een verwijzing naar artikel 8:54, eerste lid, van de Awb en het vermelde rechtsmiddel.
5. In wat opposanten verder hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat zij niet tot een kennelijk oordeel heeft kunnen komen. In verzet zijn immers geen argumenten naar voren gebracht die in het geval van een normale behandeling (ter zitting) hadden kunnen worden aangevoerd en waardoor twijfel zou zijn ontstaan over de uitkomst van het beroep. [4] De omstandigheid dat door de verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank anders wordt geoordeeld over de betekenis van WBV 2022/22 voor de beslistermijn van verweerder, maakt niet dat in dit geval redelijke twijfel bestond over de uitkomst van het beroep. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de aangevallen uitspraak heeft deze zittingsplaats al eerder in gelijke zin over WBV 2022/22 geoordeeld in drie uitspraken van 21 maart 2023 [5] en in alle vergelijkbare zaken sindsdien.
6. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van
mr.R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit van 21 september 2022, nummer WBV 2022/22, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2022 nr. 25775; in werking getreden op 27 september 2022.
4.Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2177.