ECLI:NL:RBDHA:2023:1362

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2023
Publicatiedatum
9 februari 2023
Zaaknummer
NL22.19885
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Tijdelijke wet opschorting dwangsommen INDAlgemene wet bestuursrechtArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen afwijzing bestuurlijke dwangsom in asielprocedure

Eiser, van Libanese nationaliteit, diende op 7 januari 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Na het niet tijdig beslissen op deze aanvraag stelde eiser de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 11 juli 2022 in gebreke. Verweerder verleende vervolgens een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met ingang van 7 januari 2022 tot 7 januari 2027 en stelde dat ondanks de ingebrekestelling geen bestuurlijke dwangsom is verbeurd vanwege de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND.

Eiser betwistte dit en voerde aan dat artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel en het recht op een effectief rechtsmiddel zoals neergelegd in artikel 47 van Pro het Handvest van de Europese Unie. Hij verwees naar een eerdere uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2022:3776) waarin het buiten toepassing verklaren van de bestuurlijke dwangsom werd betwist.

De rechtbank oordeelde dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in twee uitspraken van 30 november 2022 het uitsluiten van de bestuurlijke dwangsom niet in strijd met het Unierecht achtte, terwijl het afschaffen van de rechterlijke dwangsom wel onverbindend is verklaard. Gezien deze jurisprudentie is het standpunt van verweerder dat geen bestuurlijke dwangsom is verbeurd terecht. Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.19885

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.A. Wildeboer).

ProcesverloopBij besluit van 6 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met ingang van 7 januari 2022 geldig tot 7 januari 2027. Verweerder heeft voorts overwogen dat eiser verweerder terecht in gebreke heeft gesteld. Echter, gelet op de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (hierna: de Tijdelijke wet) kan deze ingebrekestelling niet leiden tot de automatische verbeurte van dwangsommen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving vooraf niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser stelt van Libanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
Op 7 januari 2022 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Op 11 juli 2022 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met ingang van 7 januari 2022 geldig tot 7 januari 2027.
Verweerder heeft voorts overwogen dat eiser verweerder terecht in gebreke heeft gesteld. Echter gelet op de Tijdelijke wet kan deze ingebrekestelling niet leiden tot de automatische verbeurte van dwangsommen.
Eiser heeft beroep ingesteld. Eiser is het niet eens met verweerders vaststelling in het besluit dat hij geen bestuurlijke dwangsom aan eiser heeft verbeurd. Eiser voert aan dat artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet, waarin is geregeld dat de dwangsomregeling uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing is op asielzaken, in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel en het in artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) neergelegde recht op een effectief rechtsmiddel en in zoverre onverbindend is wegens strijd met het Unierecht. Eiser doet in het bijzonder een beroep op overwegingen in de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 april 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:3776). Daarin heeft de rechtbank overwogen dat het buiten toepassing verklaren van de bestuurlijke dwangsom in strijd is met het unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel. Eiser acht de overwegingen van de rechtbank in deze uitspraak ook in zijn zaak relevant en verzoekt de rechtbank tot hetzelfde oordeel te komen.
De rechtbank overweegt als volgt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft zich in twee uitspraken van 30 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353) uitgelaten over de verbindendheid van artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet voor zover dat artikel de mogelijkheid uitsluit dat in de asielprocedure de staatssecretaris een dwangsom verbeurt wanneer hij na ingebrekestelling niet tijdig een besluit neemt op een asielaanvraag (de bestuurlijke dwangsom) en de bestuursrechter bepaalt dat de staatssecretaris een in een uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt (de rechterlijke dwangsom). In de uitspraak ECLI:NL:RVS:2022:3352 heeft de Afdeling het hoger beroep van verweerder tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 22 april 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:3776) beoordeeld en gegrond verklaard. Naar het oordeel van de Afdeling is het uitsluiten van het verbeuren van een bestuurlijke dwangsom niet in strijd met het Unierecht. Dit betekent dat de staatssecretaris geen bestuurlijke dwangsom verbeurt als hij niet binnen twee weken na ingebrekestelling alsnog een besluit neemt op de asielaanvraag van de vreemdeling. Het afschaffen van de rechterlijke dwangsom in asielzaken heeft de Afdeling wél in strijd met het Unierecht geacht. Artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet is in zoverre onverbindend.
Deze uitspraak van de Afdeling vormt het uitgangspunt bij de beoordeling van het beroep van eiser.
De rechtbank stelt vast - en tussen partijen is niet in geschil - dat verweerder ten onrechte niet binnen de beslistermijn van zes maanden heeft beslist op de asielaanvraag van eiser. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder als gevolg hiervan aan eiser een bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd.
Gelet op voornoemde uitspraak van de Afdeling heeft verweerder zicht terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij geen bestuurlijke dwangsom aan eiser is verschuldigd. Het beroep van eiser is daarom ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Nieuwenhuis, rechter, in aanwezigheid van mr.S. Derks, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.