ECLI:NL:RBDHA:2023:1362
Rechtbank Den Haag
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen afwijzing bestuurlijke dwangsom in asielprocedure
Eiser, van Libanese nationaliteit, diende op 7 januari 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Na het niet tijdig beslissen op deze aanvraag stelde eiser de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 11 juli 2022 in gebreke. Verweerder verleende vervolgens een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met ingang van 7 januari 2022 tot 7 januari 2027 en stelde dat ondanks de ingebrekestelling geen bestuurlijke dwangsom is verbeurd vanwege de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND.
Eiser betwistte dit en voerde aan dat artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel en het recht op een effectief rechtsmiddel zoals neergelegd in artikel 47 van Pro het Handvest van de Europese Unie. Hij verwees naar een eerdere uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2022:3776) waarin het buiten toepassing verklaren van de bestuurlijke dwangsom werd betwist.
De rechtbank oordeelde dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in twee uitspraken van 30 november 2022 het uitsluiten van de bestuurlijke dwangsom niet in strijd met het Unierecht achtte, terwijl het afschaffen van de rechterlijke dwangsom wel onverbindend is verklaard. Gezien deze jurisprudentie is het standpunt van verweerder dat geen bestuurlijke dwangsom is verbeurd terecht. Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.