Eiser, een Russische asielzoeker, diende op 23 maart 2023 een aanvraag om internationale bescherming in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Verweerder stelde dat na nader onderzoek bij Kroatië het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon worden toegepast, waardoor geen reëel risico bestond op onmenselijke behandeling bij terugkeer.
Eiser betwistte dit en verwees naar structurele pushbacks door Kroatische autoriteiten, waarbij ook Dublinclaimanten het risico lopen op onmenselijke behandeling. De rechtbank sluit zich aan bij eerdere uitspraken waarin is geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kan worden aangenomen vanwege tegenstrijdige informatie en onvoldoende betrouwbare toezeggingen van Kroatië.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het vertrouwensbeginsel hier wel zou gelden. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.