ECLI:NL:RVS:2023:3134
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
De vreemdeling met de Syrische nationaliteit verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de staatssecretaris nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Bulgarije volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De vreemdeling vreesde dat hij na overdracht aan Bulgarije slachtoffer zou worden van pushbacks, waarbij hij zonder asielprocedure naar een derde land wordt teruggestuurd.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, en de Raad van State bevestigt dit in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de staatssecretaris terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat inhoudt dat de behandeling in Bulgarije wordt vermoed te voldoen aan het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. De vreemdeling heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling.
De Afdeling bespreekt uitgebreid de pushbackproblematiek in Bulgarije, erkent dat pushbacks aan de buitengrenzen plaatsvinden, maar concludeert dat Dublinclaimanten geen reëel risico lopen slachtoffer te worden. Ook is vastgesteld dat Dublinclaimanten na overdracht toegang hebben tot opvangvoorzieningen. De persoonlijke situatie van de vreemdeling, waaronder eerdere pushbackervaring en detentie, leidt niet tot een ander oordeel.
De Raad van State ziet geen aanleiding de zaak aan te houden voor prejudiciële vragen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de behandeling van de asielaanvraag en oordeelt dat geen reëel risico op pushbacks bestaat.