Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door verweerder was vastgesteld op €300.000 en na bezwaar op €296.000 werd bijgesteld. Eiser stelde dat de waarde te hoog was en pleitte voor een lagere waarde van €261.000, met argumenten over onjuiste objectkenmerken en onvoldoende rekening houden met ligging en doelmatigheid.
De rechtbank oordeelde dat eiser formeel belanghebbende is en ontvankelijk in zijn beroep, maar dat hij geen materieel procesbelang heeft omdat hij geen direct financieel nadeel ondervindt van de WOZ-waarde. Er zijn geen belastingaanslagen opgelegd waarbij de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf is gebruikt en ook geen ander belang is gesteld.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en zag af van inhoudelijke beoordeling van de WOZ-waarde. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd eveneens afgewezen, omdat het financiële belang van eiser zeer gering is en geen aanleiding bestaat tot compensatie.
De uitspraak werd gedaan door rechter E. Kouwenhoven op 13 september 2023. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.