Belanghebbende, huurder van een appartement, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €146.000 voor het jaar 2020. De heffingsambtenaar handhaafde de beschikking, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond op grond van het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb, omdat belanghebbende geen direct financieel belang had bij wijziging van de WOZ-waarde.
In hoger beroep bevestigt het hof deze beoordeling. Het hof benadrukt dat het relativiteitsvereiste inhoudt dat een bestuursrechter een besluit niet kan vernietigen als het geschonden voorschrift niet strekt tot bescherming van het belang van de belanghebbende. Hieruit volgt dat een huurder van niet-geliberaliseerde woonruimte, die geen direct financieel nadeel ondervindt van een wijziging van de WOZ-waarde, geen belang heeft bij vernietiging.
Het hof wijst erop dat het niet gaat om het subjectieve motief van belanghebbende, maar om het objectieve belang dat de norm beschermt. Omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij direct financieel nadeel ondervindt, wordt het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van griffierecht of proceskosten.
De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.