De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een hoekwoning vastgesteld op €139.000 per 1 januari 2019 voor het jaar 2020. Belanghebbende, huurder van deze niet-sociale huurwoning, maakte bezwaar tegen deze vaststelling, maar dit werd door de heffingsambtenaar en vervolgens door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende geen belang had bij de WOZ-waarde, zodat het beroep niet-ontvankelijk was op grond van artikel 8:69a Awb (relativiteitsvereiste).
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond verklaarde en dat de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. Het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het relativiteitsvereiste houdt in dat een norm alleen bescherming biedt aan degene wiens belang door het besluit wordt geschaad. Omdat belanghebbende als huurder geen direct financieel nadeel ondervindt van de WOZ-waarde, ontbreekt het aan een beschermwaardig belang.
Het hof overwoog dat het subjectieve motief van belanghebbende om via verlaging van de WOZ-waarde andere grieven jegens de gemeente te onderbouwen, niet relevant is. Ook het mogelijke toekomstig belang bij verkoop door de woonstichting is niet aannemelijk gemaakt. Daarom is het beroep ongegrond en wordt de WOZ-waarde niet verminderd. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.