Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 3 oktober 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden zonder besluit, stelde eiser de staatssecretaris op 14 april 2022 in gebreke en diende op 23 juli 2022 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de staatssecretaris niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank baseert zich op de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000, en verwijst naar recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de toepasselijkheid van dwangsommen in asielzaken.
De staatssecretaris wordt opgedragen binnen zestien weken na verzending van het vonnis alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €7.500. Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiser.