De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Libische vreemdeling tegen het aanvullend terugkeerbesluit van 6 juni 2023 van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit besluit breidde het oorspronkelijke terugkeerbesluit uit door naast Libië ook Tunesië als beoogd land van terugkeer te noemen.
De rechtbank stelde vast dat het aanvullend terugkeerbesluit een nieuw rechtsgevolg inhoudt omdat Tunesië niet eerder als land van terugkeer was genoemd. De rechtbank was bevoegd dit besluit te toetsen. Het beroep richtte zich uitsluitend op Tunesië als land van terugkeer, waarbij eiser aanvoerde dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Tunesië hem zal toelaten.
De staatssecretaris verwees naar een 'removal order' gericht aan Tunis Air en het feit dat eiser vanuit Tunesië naar Nederland was gevlogen. De rechtbank oordeelde dat deze enkele verwijzing onvoldoende is om te concluderen dat Tunesië een land van terugkeer is waar toelating mogelijk is gewaarborgd. Eiser heeft geen banden met Tunesië en het visumdossier werd door de staatssecretaris niet als voldoende bewijs erkend.
Daarom werd het aanvullend terugkeerbesluit vernietigd wegens onvoldoende motivering. De staatssecretaris werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser. De rechtbank gaf tevens informatie over de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.