Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier om bij zijn echtgenote en kinderen in Nederland te verblijven. Deze aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, dat op eiser van toepassing is verklaard, en het opleggen van een zwaar inreisverbod wegens een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de Nederlandse samenleving.
Eiser voerde aan dat hij in Nederland nooit in aanraking is gekomen met politie of justitie en overlegde een verklaring omtrent gedrag van de Iraakse ambassade. De staatssecretaris wees de aanvraag af zonder inhoudelijke toetsing vanwege het gevaar voor de openbare orde en ging niet in op de verklaring omtrent gedrag, omdat dit onderwerp thuishoort in een procedure voor opheffing van het inreisverbod.
Daarnaast verzocht eiser uitstel van vertrek op grond van ernstige gezondheidsproblemen en afhankelijkheid van mantelzorg door zijn echtgenote. De staatssecretaris baseerde zich op een medisch advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) dat stelde dat medische behandeling in Irak beschikbaar en toereikend is en dat eiser medisch in staat is te reizen. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten had geleverd om aan dit advies te twijfelen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de afwijzing van de verblijfsvergunning en wees het verzoek om uitstel van vertrek af. De uitspraak werd gedaan door rechter J.M. Emaus Visschers op 2 juni 2023.