ECLI:NL:RVS:2021:1443
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking machtiging voorlopig verblijf wegens openbare orde en artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok de machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) van een Eritrese vreemdeling in op basis van ernstige redenen volgens artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, omdat hij een gevaar voor de openbare orde zou vormen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris niet verplicht is om nader te motiveren dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Dit volgt uit het arrest G.S. en V.G. van het Hof van Justitie, waarin het begrip 'openbare orde' in de Gezinsherenigingsrichtlijn ruim wordt uitgelegd.
De Afdeling oordeelt dat deze uitleg ook geldt wanneer de vreemdeling niet strafrechtelijk is veroordeeld, maar artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegen hem is ingebracht. Hoewel de Nederlandse regelgeving niet volledig aansluit bij de richtlijn, leidt dit niet tot vernietiging omdat de staatssecretaris in deze zaak een individuele beoordeling heeft verricht en het evenredigheidsbeginsel heeft toegepast.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de machtiging voorlopig verblijf bevestigd.