ECLI:NL:RBDHA:2023:14158
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum verblijfsvergunning bij verzoek om heroverweging
Eiseres, van Syrische nationaliteit, heeft meerdere asielaanvragen ingediend die telkens niet-ontvankelijk werden verklaard vanwege haar vluchtelingenstatus in Duitsland. Nadat deze status op 13 april 2021 werd ingetrokken, diende zij op 11 april 2022 een verzoek om heroverweging in, waarop verweerder een verblijfsvergunning verleende met ingang van die datum.
Eiseres betoogde dat de ingangsdatum terugwerkend moet zijn tot 13 april 2021, omdat zij vanaf dat moment aan de voorwaarden voor vergunningverlening voldeed. De rechtbank overwoog dat bij een verzoek om heroverweging de ingangsdatum in beginsel de datum van ontvangst van het verzoek is, tenzij sprake is van een evident onjuist besluit of later bekend geworden informatie die een eerdere vergunningverlening rechtvaardigt.
De rechtbank stelde vast dat de eerdere aanvragen niet-ontvankelijk waren verklaard op grond van de toen geldende vluchtelingenstatus in Duitsland en dat de intrekking van die status na afloop van de eerdere procedures plaatsvond. Dit rechtvaardigt geen terugwerkende kracht van de vergunning. De situatie van eiseres verschilt daarmee van de jurisprudentie waarop zij zich beroept. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning is ongegrond verklaard; de ingangsdatum blijft 11 april 2022.