ECLI:NL:RBDHA:2023:14421

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 september 2023
Publicatiedatum
26 september 2023
Zaaknummer
09/754080-02
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4:9 SvArt. 6:6:25 SvArt. 6:6:26 SvArt. 577c Sv (oud)Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing gijzeling en kwijtschelding ontnemingsmaatregel

De veroordeelde is bij vonnis veroordeeld tot betaling van een bedrag van ruim 1,5 miljoen euro aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Na verwerping van het cassatieberoep werd de maatregel onherroepelijk. Omdat betaling uitbleef, werd gijzeling opgelegd voor maximaal 1080 dagen.

De veroordeelde verzocht de rechtbank om de gijzeling op te heffen en de ontnemingsmaatregel kwijt te schelden of te verminderen, stellende dat hij geen draagkracht heeft vanwege zijn leeftijd, gezondheid en het ontbreken van inkomen tijdens detentie. De officier van justitie stelde dat de rechtbank niet bevoegd is tot opheffing van gijzeling sinds de Wet USB en dat het verzoek tot kwijtschelding moet worden afgewezen.

De rechtbank oordeelde dat de bevoegdheid tot opheffing van gijzeling sinds 1 januari 2020 bij de minister ligt en niet bij de rechter, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk is. Ten aanzien van de kwijtschelding stelde de rechtbank dat de veroordeelde onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij nu en in de toekomst geen draagkracht heeft, mede gezien zijn recht op AOW na detentie. Het verzoek werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot opheffing gijzeling niet-ontvankelijk; verzoek tot kwijtschelding of vermindering ontnemingsmaatregel afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Strafrecht
Parketnummer: 09/754080-02
Raadkamernummer: 23-013581
Beslissing van de politierechter, op het verzoek ex artikel 6:4:9 en Pro 6:6:26, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) strekkende tot primair kwijtschelding, subsidiair vermindering van het bedrag bij de maatregel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, opgelegd aan:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedag] 1952 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. D. Kisteman advocaat te AMSTERDAM, (Postbus 14543, 1001 LA Amsterdam),
(hierna: de veroordeelde).

InleidingDe verzoeker is bij vonnis van 14 oktober 2022 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank veroordeeld tot betaling van een geldbedrag van € 1.574.819,39 aan de Staat ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: de maatregel). Het Gerechtshof te Den Haag heeft bij arrest van 15 juni 2018 het te betalen bedrag verminderd tot € 1.551.000,00. Tegen dit arrest is door verzoeker beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep op 8 oktober 2019 verworpen. De ontnemingsmaatregel is op 8 oktober 2019 onherroepelijk geworden.

Omdat betaling uitbleef heeft de officier van justitie op 28 juni 2022 een vordering ingediend tot toepassen van het dwangmiddel gijzeling ex artikel 6:6:25 Sv Pro. Op 30 augustus 2022 heeft de rechtbank Den Haag deze vordering toegewezen voor de maximale duur van 1080 dagen.

De procedure ter terechtzittingDe rechtbank heeft dit verzoek op 12 september 2023 behandeld en heeft kennisgenomen van het arrest van het Gerechtshof te Den Haag, en de toelichting van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB) te Leeuwarden gedateerd 16 juni 2023.

De verzoeker, bijgestaan door mr. D. Kisteman, is gehoord.
Tevens is de officier van justitie mr. F.M. de Vries gehoord.

Het standpunt van de verzoekerHet verzoek strekt enerzijds tot opheffing van de gijzeling en anderzijds tot kwijtschelding of vermindering van de betalingsverplichting.

Bevoegdheid opheffing gijzelingVerzoeker acht de rechtbank bevoegd over het verzoek tot opheffing van de gijzeling te beslissen. Het vervallen van de opheffingsbevoegdheid van de strafrechter door de inwerkingtreding per 1 januari 2020 van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) berust op een kennelijke omissie. Ter zitting is verwezen naar de uitspraken ECLI:NL:RBGEL:2022:6743 en ECLI:NL:GHARL:2020:4224.
Inhoudelijk standpuntVerzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die ten tijde van de uitspraak van 30 augustus 2022 nog niet (volledig) bekend waren. Anders dan het OM betoogt, beschikte de verzoeker destijds niet over omvangrijke spaartegoeden of andere vermogensbestanddelen. Het saldo op de rekening van het bedrijf van de veroordeelde ([naam]) en op zijn privé rekening waren op 31 december 2021 minimaal. De veroordeelde heeft tijdens zijn detentie geen inkomen kunnen genereren. Verder is de veroordeelde een 71-jarige hartpatiënt. Na invrijheidstelling zal de aflosperiode gezien zijn leeftijd kort zijn. Vanwege zijn gezondheidstoestand zal hij slechts kunnen aflossen vanuit zijn AOW-uitkering. Dit maakt volledige voldoening van de maatregel onhaalbaar, waardoor voortduring van de gijzeling een zinloos dwangmiddel is. De ontnemingsmaatregel heeft nu, in tegenstelling tot het doel van de wetgever, een punitief karakter. Er is geen sprake van betalingsonwil, maar betalingsonmacht.

Het standpunt van de officier van justitieDe officier van justitie heeft zich ten aanzien van het verzoek tot opheffing van de gijzeling primair op het standpunt gesteld dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat er een wettelijke bevoegdheid is voor de rechter om tot opheffing van gijzeling te beslissing. Uit het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:919) kan worden afgeleid dat de opheffingsbevoegdheid van de rechter met de inwerkingtreding van de Wet USB is komen te vervallen. Uit de conclusie van Advocaat-Generaal van 10 maart 2023 (ECLI:NL:PHR:2023:332) blijkt dat de opheffingsbevoegdheid ten aanzien van gijzeling ex artikel 6:6:25 Sv Pro nadrukkelijk bij de minister van Justitie en Veiligheid is ondergebracht.

Ten aanzien van het verzoek tot kwijtschelding / vermindering van de maatregel heeft de officier van justitie gepersisteerd bij haar schriftelijke conclusie tot afwijzing van het verzoek.

Het oordeel van de rechtbank

Bevoegdheid van de rechtbank tot opheffing van de gijzeling
De rechtbank stelt vast dat de bevoegdheid van de rechter om te beslissen op een verzoek tot opheffing van de toepassing van gijzeling – voorheen neergelegd in artikel 577c (oud) Sv – met de inwerkingtreding de Wet USB per 1 januari 2020 uit de wet is verdwenen. Sinds die datum is de Minister van Justitie en Veiligheid bevoegd de gijzeling op te heffen (artikel 6:6:25, zevende lid, Sv).
Uit de memorie van toelichting (
Kamerstukken II2014/15, 34086, nr. 3) blijkt niet waarom de opheffingsbevoegdheid is vervallen. Wel blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat de bestaande regeling zou blijven gelden: ‘
Met artikel XLIVa, tweede lid, wordt verduidelijkt dat na inwerkingtreding van de Wet USB niet het openbaar ministerie, maar de Minister kan beslissen tot beëindiging van een (oude) lijfsdwang of vervangende hechtenis, zoals hij dat ook kan bij het dwangmiddel gijzeling (artikelen 6:4:20, vierde lid, en 6:6:25, zevende lid, Sv). Voor het overige blijven de huidige regels gelden.’(
Kamerstukken II2019/20, 35 311, nr. 3, p. 16-17) Het heeft er dus alle schijn van dat het vervallen van de opheffingsbevoegdheid van de rechter het gevolg is van een omissie van de wetgever.
Toch kan dat geen grond zijn voor de conclusie dat de rechtbank bevoegd is om gijzeling op te heffen. De bevoegdheid van de strafrechter is, mede gelet op artikel 6:6:1, eerste lid, Sv, beperkt tot de in de wet genoemde gevallen. Het staat de rechter niet vrij zichzelf een bevoegdheid toe te kennen die de wet hem niet verschaft. Als het vervallen van de opheffingsbevoegdheid inderdaad het gevolg is van een omissie, dan is het aan de wetgever om die omissie te herstellen en niet aan de rechter.
Gelet op het voorgaande is de conclusie dat de rechtbank niet bevoegd is op dit verzoek te beslissen. De verzoeker zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek.
Kwijtschelding/vermindering van de maatregel
De rechter die de maatregel tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft opgelegd, kan op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de verzoeker het vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden.
De rechtbank stelt voorop dat, om in aanmerking te komen voor kwijtschelding dan wel vermindering van de maatregel, op de verzoeker de verplichting rust om gemotiveerd en met bewijsstukken onderbouwd aan te geven dat nu en in de toekomst geen draagkracht aanwezig is om het te betalen bedrag te voldoen.
De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde zich al geruime tijd in detentie bevindt, mede vanwege de op 30 augustus 2022 toegewezen vordering tot toepassing van de maatregel tot gijzeling. In deze periode heeft de veroordeelde geen inkomen kunnen genereren. Uit de door de veroordeelde overgelegde documenten blijkt niet dat elke vorm van draagkracht ontbreekt. De veroordeelde is 71 jaar oud en heeft na zijn detentie recht op een AOW-uitkering. Daardoor is niet aannemelijk dat de veroordeelde in de toekomst onvoldoende draagkracht zal hebben om aan de maatregel te voldoen.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding de opgelegde betalingsverplichting kwijt te schelden of te verminderen. De rechtbank begrijpt dat de veroordeelde zich deze levensfase anders had voorgesteld, maar daar staat tegenover dat door het gerechtshof onherroepelijk is vastgesteld dat de veroordeelde in eerdere jaren een zeer groot bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Dat moet worden terugbetaald. Dat dit nu en in de toekomst niet zal lukken, is niet aannemelijk geworden. De rechtbank zal de verzoeken van de veroordeelde daarom afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot opheffing van de tot gijzeling;
- wijst af de verzoeken tot kwijtschelding en vermindering van de maatregel.
Aldus gedaan te Den Haag door mr. B.A. Sturm, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. A.C. Veltink, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 september 2023.