Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Overgangsrecht Wet USB
3.Bespreking van het cassatiemiddel
kan instellenom tot gijzeling te worden gemachtigd. Op het geval dat een vordering tot het verlenen van verlof voor lijfsdwang al vóór 1 januari 2020
ís ingesteld, gaat de Hoge Raad niet in. Het arrest valt echter denk ik te lezen tegen de achtergrond van de daarin in rov. 2.3.4 geciteerde toelichting op art. XLIVa Wet USB, die stellig zegt dat ‘in rechterlijke uitspraken, gewezen ná inwerkingtreding van de wijziging van de art. 36e Sr, vanzelfsprekend geen lijfsdwang meer kan worden bepaald, omdat alsdan enkel het dwangmiddel gijzeling bestaat’. De tweede zin van de hiervoor geciteerde rov. 2.5.1 van het arrest vormt kennelijk een herhaling van deze uitlating. Die uitlating en dus het oordeel van de Hoge Raad heeft onmiskenbaar ook betrekking op het door de Hoge Raad niet (uitdrukkelijk) genoemde geval. Ook in dat geval is de nieuwe regeling dus van toepassing, zo lijkt uit het arrest te volgen.
op de grond dat zijn vrijheidsbeneming een rechtsgeldige titel mist” (cursivering, net als in de klacht, toegevoegd). Gelet op de context denk ik echter niet dat de gecursiveerde woorden betekenis hebben. Het hof verwerpt in rov. 6.9 immers het in rov. 6.8 door hem genoemde standpunt van de Staat dat [verweerder] geen nadeel ondervindt van de omzetting van de lijfsdwang in gijzeling in de beschikking van 28 juli 2021. Dat doet het onmiskenbaar op de grond dat [verweerder] na de conversie geen opheffing c.q. beëindiging van de gijzeling kan verkrijgen, anders dan voorheen gold bij de lijfsdwang. Dat is ook hetgeen het in rov. 6.10 in aanmerking neemt. De klacht mist dus feitelijke grondslag in het arrest van het hof.