Eiser heeft op 10 september 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, inclusief een verlenging van één jaar door de staatssecretaris, stelde eiser de staatssecretaris op 8 maart 2023 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen. Vervolgens werd op 4 april 2023 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris de beslistermijn heeft overschreden, dat de ingebrekestelling rechtsgeldig was en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat de staatssecretaris binnen acht weken alsnog een besluit moet nemen. Tevens wordt een rechterlijke dwangsom van €100 per dag opgelegd, met een maximum van €7.500.
De rechtbank verwijst naar relevante wetsartikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingewet, alsmede naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die de toepassing van dwangsommen in asielprocedures toelichten. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €418,50.