ECLI:NL:RBDHA:2023:14940
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheid
Eisers, Syrische familieleden van een in Nederland verblijvende referent met asielstatus, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om bij hem te kunnen verblijven. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen, waarna eisers bezwaar maakten en vervolgens beroep instelden bij de rechtbank.
De kern van het geschil betrof de vraag of er sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen de referent en zijn broer en ouders, wat vereist is voor het aannemen van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Eisers stelden dat de emotionele en zorgrelatie tussen de referent en zijn broer bijzonder was, mede vanwege medische omstandigheden en de moeilijke situatie in Syrië.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat niet was gebleken van een dergelijke meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. De referent woont sinds 2018 niet meer samen met zijn familie en de ouders zorgen voor de broer. Ook andere kinderen wonen in Syrië en kunnen zorg bieden. De belangenafweging vond plaats in het nadeel van eisers, mede omdat het verblijf volledig ten laste van de Nederlandse staat zou komen en de banden met het land van herkomst sterker zijn dan met Nederland.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, maar de rechtbank bepaalde dat het betaalde griffierecht aan eisers wordt vergoed. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.