Eiser diende op 21 april 2018 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder besloot op 2 december 2019 de aanvraag ongegrond, waarna eiser daartegen in beroep ging. Na een eerdere afwijzing verklaarde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep gegrond en vernietigde het eerdere besluit.
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet tijdig heeft beslist op de aanvraag en verklaart het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond. De rechtbank legt een beslistermijn van acht weken op, rekening houdend met de noodzaak van zorgvuldige besluitvorming en het recht van eiser op hoor en wederhoor.
Hoewel sinds 11 juli 2021 een tijdelijke wet geldt die het opleggen van bestuurlijke dwangsommen bij te late beslissingen op asielaanvragen voor bepaalde tijd uitsluit, oordeelt de rechtbank dat op grond van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak deze artikelen uit de Awb wel van toepassing blijven. Daarom wordt verweerder een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €7.500.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €418,50, omdat eiser een professionele juridische hulpverlener inschakelde en de zaak alleen ging over de overschrijding van de beslistermijn.
De uitspraak is gedaan door rechter E.E.M. van Abbe en griffier O.G. Hulsman op 7 april 2023 in Utrecht.