ECLI:NL:RBDHA:2023:15337
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht niet evenredig verklaard
Eiseres had een verblijfsvergunning als partner van een Nederlandse referent, die in 2018 werd verstrekt. Na beëindiging van de relatie in mei 2019 werd de vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken door verweerder in april 2021. Eiseres maakte bezwaar en voerde aan dat de intrekking met terugwerkende kracht onevenredig was, mede omdat zij geen onjuiste informatie had verstrekt.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking met terugwerkende kracht bijzonder laat is en dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van eiseres. Verweerder had de vergunning eerder moeten intrekken en had door het late besluit onduidelijkheid en onnodige gevolgen veroorzaakt, zoals mogelijke terugvordering van toeslagen en een verblijfsgat.
De rechtbank stelt dat de belangenafweging van verweerder onjuist was en dat het besluit niet juist is gemotiveerd, in strijd met de Algemene wet bestuursrecht. Daarom vernietigt de rechtbank het besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt vernietigd.