Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van de Opiumwetfeiten
4.Artikel 359a Sv verweer
(…)
(…)
zijde verdachten in het onderzoek Taxus verwijten. Nergens volgt uit dat zij al hebben gesteld of de indruk hebben gewekt dat de verdachten al door de strafrechter waren veroordeeld. Anders dan de verdediging stelt, heeft het openbaar ministerie aldus geen voorschot genomen op de schuld van de verdachten, noch heeft het openbaar ministerie door de specifieke woordkeuze de suggestie gewekt dat de schuld van de verdachten al vast zou staan of de zaak in de media willen voeren.
5.De bewijsbeslissing
concealing evidenceen oneigenlijke motiveringen bij vorderingen ex art. 149b Sv ten opzichte van de Nederlandse rechters). De resultaten van deze operaties worden nergens, en in elk geval niet in Nederland, (op rechtmatigheid) getoetst door een rechter.
de verkrijgingvan de Encrochat- en SkyECC-gegevens. De wijze van verkrijgen leidt volgens de verdediging tot de verplichting om alle gegevens van het bewijs uit te sluiten. De verdediging wijst er daarbij op dat alle gebruikers van Encrochat en SkyECC (ongedifferentieerd) zijn geraakt door de ‘
hacks’dan wel de “
man in the middle”-aanvallen. Een dergelijke gegevensverzameling betreft, naar de definitie van het EHRM, bulkinterceptie. Er is daarmee sprake geweest van een zeer vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een groot aantal ongedefinieerde personen. De verdediging wijst op het Big Brother Watch-arrest (EHRM (GK) 25 mei 2021, nrs. 58170/13, 62322/14 en 24960/15) en concludeert dat niet goed kan worden vastgesteld of aan de daarin weergegeven eisen is voldaan en dat dus geen sprake is van een deugdelijke toetsing door een rechter. Daardoor is sprake van schending van artikel 8 EVRM Pro en daarmee artikel 6 EVRM Pro.
Hierbij wijst de verdediging op het arrest van Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 10 april 2003, Steffensen, nr. C-276/01, ECLI:EU:C:2003:228, (ro. 75-77) waarin is geoordeeld dat een rechterlijke instantie die van oordeel is dat een partij niet in de gelegenheid is om doeltreffend commentaar te leveren op een bewijsmiddel dat betrekking heeft op een gebied waarvan de rechters geen kennis hebben en dat een doorslaggevende invloed kan hebben op de beoordeling van de feiten, moet vaststellen dat het recht op een eerlijk proces hierdoor wordt geschonden, en dat bewijsmiddel moet uitsluiten om die schending te voorkomen. De verdediging stelt dat aan beide voorwaarden van dit arrest is voldaan en acht bewijsuitsluiting dus verplicht.
de verwerkingvan de gegevens. De verdediging wijst erop dat de Nederlandse wet niet voldoet aan de kwaliteitseisen die het Handvest EU en de Richtlijn 2016/680 stellen omdat geen wet bestaat voor de uitgevoerde verwerking van de ‘bulkdata’. Nu niet voldaan is aan het vereiste ‘voorzien bij wet’ ontbreekt een effectieve rechtsbescherming. Voor zover die waarborg zou kunnen worden gevonden in artikel 126uba Sv is de verdediging van mening dat een machtiging ex artikel 126uba Sv niet kan worden gebruikt. Zelfs als artikel 126uba Sv wel ziet op de verwerking van de gegevens, wijst de verdediging erop dat dit artikel wordt gebruikt ter verwerking van ‘bulkdata’, waaronder ook de gegevens van personen zonder enige verdenking. Dat mag niet.
hacks’.Dit is dus de tweede schending van nationaal recht, ter zake de verwerking van de gegevens. Bovendien zijn de APN-gegevens in de SkyECC-zaken op een foutieve grondslag opgevraagd door het openbaar ministerie. De verdediging constateert daarom dat, naar nationaal recht, sprake is geweest van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv. Volgens de verdediging is sprake van ernstige schendingen van strafvorderlijke voorschriften of rechtsbeginselen. Bewijsuitsluiting, subsidiair strafvermindering, wordt bepleit.
verwerkingvan persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten ten behoeve van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen, en dus niet op de
verkrijgingdaarvan.
getuigenverklaringen. Het bewijs van een strafbaar feit mag niet uitsluitend worden gevonden in de verklaring van één getuige. Ontsleutelde berichten zijn evenwel schriftelijke bescheiden, meer in het bijzonder ‘andere geschriften’ als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, Sv en kunnen voor het bewijs worden gebruikt ‘in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen’. Een ander bewijsmiddel kan tevens een ‘ander geschrift’ zijn (ECLI:NL:HR:2004:AO9131). Een bewezenverklaring die enkel op pgp-berichten steunt, betekent dus niet dat artikel 344, eerste lid, onder 5, Sv is geschonden, nu het bewijsmiddel van het ene andere geschrift (een pgp-bericht) steun vindt in een tweede ander geschrift (pgp-bericht) (vgl. conclusie AG ECLI:NL:PHR:2023:163). Omdat ontsleutelde berichten ‘andere geschriften’ zijn van de verschillende verdachten en geen verklaringen van die verdachten in de zin van artikel 341, lid 4, Sv zijn, is ook dit artikel niet van toepassing.
n aanzien van alle accounts
"Ik heb nieuwe mail : ik heb je uitgenodigd: ithran".Vanaf het account ‘ithran’ werd voorts op 30 april 2020 een bericht verstuurd naar ‘limpbeta’
“Met Mo torrequebrada. die is mijn niuwe mail”.Hieruit volgt dat ‘sillyfly’ en ‘ithran’ opeenvolgende accounts zijn en dat deze door dezelfde persoon zijn gebruikt.
packing list, vast dat sprake was van 480 vaten met een brutogewicht van 26.5 kilogram en een nettogewicht van 25 kilogram. Dit betekent dat sprake is van een totale netto hoeveelheid van 12.000 kilogram GBL.
in het kader vande (voorbereiding van) ‘handel’ in harddrugs, stelt de rechtbank vast dat al deze verdachten aldus met anderen voorbereidingshandelingen hebben gepleegd in het kader van de Opiumwet (lijst I).
- B1 4.4.12 Oktober 2017 Deelonderzoek Galium
- B1 4.6.3 Februari 2019 OVC Dordrecht
- B1 4.6.8 Maart 2019 OVC Vlissingen
- B1 4.6.9 Maart 2019 OVC Tijgerstickers + afspraak Rijnsburg
- B1 4.6.11 April 2019 Restinfo 26Eufala, Munch, Kaperbrief en 26Rialto
- B1 4.7.4.1.2 Lijn Marokko - Rotterdam
- B1 4.7.4.2.2 invoer met deklading kolen
- B1 4.7.4.4.5 Overige bijzonderheden onderlinge contacten.
6.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
7.De strafbaarheid van de verdachte
8.De strafoplegging
9.De inbeslaggenomen voorwerpen
10.De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling
11.De toepasselijke wetsartikelen
12.De beslissing
NEGEN (9) JAREN en DRIE (3) MAANDEN;