ECLI:NL:RBDHA:2023:15914
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie en hechte persoonlijke banden
Eiser, van Armeense nationaliteit en sinds 2010 in Nederland verblijvend zonder verblijfsvergunning, verzocht om een verblijfsvergunning als familielid bij zijn zoon. Het primaire besluit tot afwijzing werd gevolgd door een bezwaarprocedure en een hoorzitting waarbij ook de kleinzoon en diens zoon aanwezig waren.
Verweerder stelde dat er geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn zoon en dat er geen hechte persoonlijke banden bestonden met zijn kleinzoon. Ook voerde verweerder aan dat het belang van Nederland bij een strikt toelatingsbeleid zwaarder woog dan het belang van eiser.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij meer dan gebruikelijk afhankelijk is van zijn zoon, mede gelet op het BMA-rapport dat geen medische noodzaak voor mantelzorg constateerde. De banden met de kleinzoon overstegen de normale grootouderkleinkindrelatie niet. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro viel daardoor in het nadeel van eiser uit.
Daarnaast was het opleggen van een inreisverbod gerechtvaardigd omdat eiser geen gemeenschapsonderdaan is, niet vrijwillig Nederland had verlaten na een terugkeerbesluit en het gezinsleven in Nederland was opgebouwd terwijl hij wist dat hij hier niet mocht verblijven. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod gehandhaafd.