ECLI:NL:RVS:2016:1285
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke toetsing weigering verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie weigerde een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een vreemdeling met Kameroense nationaliteit, die sinds 1999 in Nederland verblijft. De rechtbank Den Haag vernietigde dit besluit en oordeelde dat de belangenafweging onvoldoende rekening hield met de langdurige verblijfsgeschiedenis en het overlijden van de ouder in Nederland.
In hoger beroep erkende de staatssecretaris dat het besluit niet deugdelijk was gemotiveerd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en benadrukte dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de sterke banden van de vreemdeling met Nederland niet opwegen tegen zijn strafbare feiten en het beperkte contact met het land van herkomst.
De Afdeling verwees naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de eigen werkinstructie, waarin wordt gesteld dat bij de belangenafweging alle relevante feiten en omstandigheden moeten worden betrokken, waaronder het langdurige verblijf, de leeftijd bij binnenkomst, de verzorging door rechtmatig verblijvende personen en het ontbreken van banden met het land van herkomst.
De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd; de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen.