ECLI:NL:RBDHA:2023:15928
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek rechter in belastingzaak wegens gebrek aan vooringenomenheid
In deze zaak diende verzoekster een wrakingsverzoek in tegen de rechter die de hoofdzaak behandelde, een belastingzaak tussen verzoekster en de inspecteur van de Belastingdienst. Het verzoek was gebaseerd op drie procedurele gronden: het niet mogen indienen van nadere stukken tijdens de mondelinge behandeling, het weigeren van verwijzing naar een meervoudige kamer en een opmerking over hoger beroep die zou duiden op vooringenomenheid.
De wrakingskamer oordeelde dat procedurele beslissingen in beginsel geen grond voor wraking vormen, tenzij deze zodanig gemotiveerd zijn dat zij objectief een schijn van vooringenomenheid wekken. Dit was in dit geval niet gesteld noch gebleken. De kamer beoordeelde per grond dat het niet toelaten van nieuwe stukken gebruikelijk was, het verwijzen naar een meervoudige kamer een discretionaire bevoegdheid is en de opmerking over hoger beroep een normale uitleg van procedure was.
Daarnaast constateerde de wrakingskamer dat verzoekster en haar gemachtigde het wrakingsmiddel misbruikten om de voortgang van de procedure te frustreren. Daarom werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet meer in behandeling wordt genomen. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek.
De beslissing werd uitgesproken door een meervoudige wrakingskamer van drie rechters op 20 februari 2023 en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen en een volgend wrakingsverzoek wordt niet meer in behandeling genomen wegens misbruik.