ECLI:NL:RBDHA:2023:15965

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 oktober 2023
Publicatiedatum
24 oktober 2023
Zaaknummer
23/2370
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 AwirArt. 26 AwirArt. 3:4 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening zorgtoeslag 2021 op basis van nieuw inkomensgegeven terecht

Eiser maakte bezwaar tegen de definitieve berekening van de zorgtoeslag over 2021, waarbij de Belastingdienst het toetsingsinkomen had herzien op basis van een inkomensmelding uit de Basisregistratie Inkomensgegevens (BRI). Dit leidde tot terugvordering van een te hoog ontvangen voorschot.

Eiser betoogde dat een nabetaling van Aegon Levensverzekering over meerdere jaren buiten beschouwing moest blijven, maar de Belastingdienst hield vast aan het authentieke inkomensgegeven uit de BRI. De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn in bezwaar was overschreden, maar dat dit geen gevolgen had voor de rechtmatigheid van het besluit.

De rechtbank stelde vast dat de Belastingdienst verplicht is de zorgtoeslag te herzien bij wijziging van inkomensgegevens en dat het terugvorderen van het teveel ontvangen bedrag het uitgangspunt is. Wel ontbrak bij het bestreden besluit een belangenafweging, waardoor het beroep gegrond werd verklaard.

De Belastingdienst herstelde dit motiveringsgebrek in het verweerschrift en stelde dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om van terugvordering af te zien. De rechtbank volgde dit standpunt en liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.

Tot slot werd vastgesteld dat eiser teveel griffierecht had betaald, waarop de Belastingdienst werd veroordeeld tot vergoeding van € 134. Eiser maakte geen overige proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, het bestreden besluit wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand en de Belastingdienst vergoedt teveel betaald griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/2370

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2023 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de definitieve berekening van de zorgtoeslag over het jaar 2021.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 29 juli 2022 (het primaire besluit) de zorgtoeslag over het jaar 2021 definitief berekend en voor een deel teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 16 februari 2023 (het bestreden besluit) zijn de bezwaren van eiser afgewezen.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser en zijn toeslagpartner hebben over het jaar 2021 een voorschot zorgtoeslag ontvangen op basis van een geschat gezamenlijk toetsingsinkomen van € 27.479. Op
15 juni 2022 heeft verweerder vanuit de Basisregistratie Inkomensgegevens (BRI) een melding gekregen dat het gezamenlijk toetsingsinkomen van eiser en zijn toeslagpartner voor het jaar 2021 € 36.939 bedraagt. Verweerder heeft op basis daarvan de zorgtoeslag definitief berekend op € 436 en het teveel ontvangen voorschot over 2021 van € 1.289 teruggevorderd.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt dat de door hem ontvangen nabetaling van Aegon Levensverzekering (Aegon) ten bedrage van € 9.416 buiten beschouwing dient te worden gelaten bij de berekening van de zorgtoeslag, omdat de nabetaling betrekking heeft op de jaren 2017 tot 2021.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder stelt dat terecht is uitgegaan van het toetsingsinkomen zoals vastgelegd in de BRI.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Niet in geschil is dat verweerder de beslistermijn in bezwaar heeft overschreden. De beslistermijn is echter geen fatale termijn, maar een termijn van orde. [1] Zoals verweerder terecht stelt, tast overschrijding van de beslistermijn op zichzelf de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet aan. Dit betekent dat de termijnoverschrijding geen gevolgen kan hebben voor de hoogte van de zorgtoeslag van eiser over het jaar 2021. De wet verbindt aan het te laat beslissen op bezwaar wel andere gevolgen, namelijk de mogelijkheid om verweerder in gebreke te stellen wegens het niet tijdig beslissen en een dwangsom te vragen en de mogelijkheid om beroep bij de rechter in te stellen vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar. De rechtbank is echter niet gebleken dat eiser gedurende de periode waarin de beslistermijn was overschreden heeft aangedrongen op het verkrijgen van een beslissing door verweerder in gebreke te stellen dan wel door beroep in te stellen bij de rechtbank.
6. De rechtbank overweegt dat verweerder gehouden is ter bepaling van de draagkracht, waarvan het recht op en de hoogte van de zorgtoeslag afhankelijk is, het door de inspecteur bij de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2021 vastgestelde verzamelinkomen te volgen, hetgeen verweerder ook heeft gedaan. [2] Daarbij heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om de nabetaling in 2021 van Aegon buiten beschouwing te laten, omdat verweerder bij de vaststelling van het recht op zorgtoeslag gebruik moet maken van het authentieke inkomensgegeven dat is vastgelegd in de BRI. Verweerder heeft wat betreft de zorgtoeslag geen wettelijke mogelijkheid ter beschikking voor het buiten beschouwing laten van een nabetaling. Of een wettelijke regeling als de onderhavige redelijk of billijk is, kan door de rechter niet worden getoetst. Voor zover eiser het niet eens is met het vastgestelde inkomen, dient hij zich tot de inspecteur van de inkomstenbelasting te wenden, omdat de inspecteur van de inkomstenbelasting en verweerder twee verschillende bestuursorganen zijn. De rechtbank leidt uit het dossier af dat verweerder het bezwaarschrift van eiser ter behandeling heeft doorgezonden naar de inspecteur van de inkomstenbelasting. Zoals verweerder ook naar voren heeft gebracht, is verweerder op grond van artikel 20 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) verplicht om een definitieve berekening van de toeslagen te herzien als er een wijziging van een inkomensgegeven heeft plaatsgevonden.
7. Doordat er een verschil is tussen het opgegeven geschatte toetsingsinkomen en het daadwerkelijke toetsingsinkomen, heeft eiser een te hoog bedrag aan voorschot zorgtoeslag ontvangen. Op grond van artikel 26, tweede lid, van de Awir is het uitgangspunt dat verweerder het volledige bedrag terugvordert. Verweerder kan van volledige terugvordering afzien, indien de nadelige gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn ten opzichte van de met die terugvordering te dienen doelen. Verweerder moet bij het besluit tot terugvordering op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen. [3] De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit geen belangenafweging heeft gemaakt. Deze belangenafweging heeft in het verweerschrift alsnog plaatsgevonden. Omdat deze belangenafweging ten onrechte niet bij het bestreden besluit is gemaakt, dient het beroep gegrond te worden verklaard.
8. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiser niet onevenredig zijn in verhouding tot het daarmee te dienen doel. Het doel van de terugvordering omschrijft verweerder als de rechtmatige besteding van publieke middelen. In het Verzamelbesluit Toeslagen van
1 juli 2022 (nr. 2022-21478; het Verzamelbesluit), is het beleid rondom het matigen van de terugvordering van toeslagen opgenomen. Hierin is opgenomen dat alleen bijzondere omstandigheden zich verzetten tegen gehele terugvordering en dat als dergelijke omstandigheden zich voordoen en gehele terugvordering onevenredig is, verweerder kan afzien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering kan matigen. In het Verzamelbesluit zijn voorbeelden van bijzondere omstandigheden opgenomen en is vermeld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden als de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijk voor het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend. Dat is het geval in de situatie van eiser. Door de nabetaling van Aegon is het daadwerkelijke inkomen over het jaar 2021 hoger uitgevallen dan het eerder geschatte inkomen. Dat de nabetaling in het jaar 2021 heeft plaatsgevonden, maakt volgens verweerder dus niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Verweerder heeft verder ter zitting toegelicht dat als eiser de betalingen van Aegon wel in de jaren had ontvangen waarop de nabetaling betrekking heeft, hij in die jaren een hoger inkomen zou hebben en daarmee recht op minder zorgtoeslag. Het daadwerkelijk nadeel bedraagt volgens verweerder € 102. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van terugvordering af te zien of deze te matigen. Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd, zijn bijzondere omstandigheden ook overigens niet gebleken. De rechtbank ziet hierin aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten.
9. Indien eiser van mening is dat Aegon verantwoordelijk is voor de door hem geleden schade, dient hij een civiele procedure te starten bij de burgerlijke rechter.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom dit besluit, maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van dat besluit in stand. Dit omdat verweerder het motiveringsgebrek met het verweerschrift heeft hersteld. Dit betekent dat eiser de teruggevorderde zorgtoeslag dient te betalen. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder wel het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. De rechtbank heeft ambtshalve geconstateerd dat eiser teveel griffierecht heeft betaald. Er had een griffierecht moeten worden geheven van € 50 in plaats van € 184. Verweerder zal daarom
€ 50 aan eiser dienen te vergoeden. De rechtbank zal eiser een bedrag terugbetalen van
€ 134. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde
bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat verweerder een griffierecht van € 50 aan eiser dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Habetian, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.