ECLI:NL:RBDHA:2023:15972
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Onterechte intrekking en terugvordering van bijstand wegens erfdeel niet opeisbaar tot overlijden moeder
Eiseres ontving vanaf 1994 bijstand en woonde met haar moeder in een woning die onderdeel was van een nalatenschap. Na het overlijden van haar vader in 1999 had zij een aanspraak op erfdeel, maar deze was niet opeisbaar tot het overlijden van haar moeder in 2019. Het college trok de bijstand over de periode van 1999 tot 2019 in en vorderde deze terug, stellende dat eiseres over middelen beschikte uit de nalatenschap.
De rechtbank oordeelde dat deze aanspraak niet aan de verlening van bijstand in de weg stond en dat het college geen wettelijke grondslag had voor de intrekking en terugvordering over deze periode. Het college erkende dat alleen sprake kon zijn van achteraf verkregen middelen, waarvoor geen voorafgaand herzieningsbesluit mogelijk is.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de intrekking en terugvordering over de periode 1999-2019 betreft en herroept het primaire besluit. Het college moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak en eiseres vergoedt worden voor griffierecht en proceskosten. De rechtbank benadrukte de inlichtingenplicht van eiseres en de onderzoeksplicht van het college, met oog voor het tijdsverloop en redelijkheid.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1999-2019 wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen.