ECLI:NL:CRVB:2014:2015
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand na ontvangst erfdeel bij overlijden ouders
Appellante ontving bijstand sinds februari 2007 en kreeg in december 2010 een erfdeel van haar overleden ouders. Het college herzag de bijstand en vorderde kosten terug over de periode 2007-2011, later aangepast tot 2007-2010. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het college de bezwaarvergoeding diende te vergoeden, omdat het dit ter zitting erkende. De kern van het geschil betrof de terugvordering van bijstandskosten over de periode tussen het overlijden van haar vader (2003) en moeder (2008). Appellante stelde dat het erfdeel pas na het overlijden van haar moeder beschikbaar kwam, waardoor terugvordering eerder niet mogelijk was.
De Raad bevestigde dat aanspraken op erfdeel ontstaan bij overlijden van de erflater, maar bij langstlevende testamenten pas na overlijden van de langstlevende ouder geëffectueerd kunnen worden. Het college moest aannemelijk maken dat het erfdeel in de periode voldoende was om terugvordering te rechtvaardigen. Op basis van notariële stukken werd een aanspraak van circa €16.000 vastgesteld, wat het vrij te laten vermogen overschreed.
Hierdoor was terugvordering van de bijstandskosten over de periode gerechtvaardigd. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat het college de kosten van bezwaarvergoeding (€974) aan appellante moest vergoeden. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen de kosten van bezwaarvergoeding aan appellante te vergoeden.