Eiser ontving bijstand vanaf juni 2018 en het college trok deze in en vorderde terug wegens vermoedelijk onjuist opgegeven hoofdverblijf en langdurig verblijf in het buitenland. Het college baseerde zich op een extreem laag waterverbruik op het uitkeringsadres en het feit dat eiser langer dan vier weken in het buitenland verbleef zonder dit te melden.
De rechtbank oordeelt dat het lage waterverbruik een sterke aanwijzing is dat eiser niet op het uitkeringsadres woonde en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet het geval was. Ook het langdurige verblijf in Gambia zonder melding leidt tot intrekking en terugvordering van de bijstand. De door eiser aangevoerde omstandigheden, waaronder coronamaatregelen en emotionele problemen, vormen geen dringende redenen om af te zien van intrekking of terugvordering.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.