Eiseres diende op 5 maart 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden zonder besluit, stelde eiseres de staatssecretaris op 13 juni 2023 in gebreke en diende op 30 juni 2023 beroep in tegen het uitblijven van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de staatssecretaris niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000 is het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld aan een besluit, waardoor beroep mogelijk is. De rechtbank wijst op de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die het uitsluiten van bestuurlijke dwangsommen in asielzaken niet in strijd acht met het Unierecht.
De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van acht weken vast, passend binnen het 8+8-wekenmodel dat door de ABRvS is gehanteerd. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de staatssecretaris de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €7.500. Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiseres ter hoogte van €418,50.